17 mei 2013

Agrarisch natuurbeheer faalt

Agrarisch natuurbeheer in zijn huidige vorm levert geen bijdrage aan de instandhouding van bedreigde diersoorten. Ook draagt het niet of nauwelijks bij aan de instandhouding van kwetsbare plantensoorten.

Instandhouding of aanleg van halfnatuurlijke landschapselementen leidt weliswaar tot aantrekkelijker landschappen, maar zelden tot een verbetering van de leefomgeving van de meest kwetsbare soorten in deze gebieden. Op korte termijn zijn ingrijpende maatregelen nodig om te voorkomen dat deze soorten verdwijnen.
Dat zijn enkele conclusies uit het advies Onbeperkt houdbaar. Naar een robuust natuurbeleid dat de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) gisteren presenteerde.

De conclusies zijn van belang voor de ontwikkeling van natuur in de Krimpenerwaard, waar in het Veenweidepact een belangrijke rol is weggelegd voor particulier natuurbeheer door de grondeigenaren, de boeren.

Voor de grutto is de Krimpenerwaard een belangrijk gebied.

Voor deze grutto bij Schaapjeszijde is de Krimpenerwaard een belangrijk gebied.

Sinds 1960 zijn 3,3 tot 5,7 miljoen broedparen uit de Nederlandse agrarische gebieden verdwenen, een achteruitgang van 61 tot 73% bij 27 van de (voorheen) algemeen voorkomende weidevogels. Zo verloor de veldleeuwerik naar schatting 750.000 tot 1,1 miljoen broedparen (een afname van minstens 96%), gevolgd door de patrijs (-93%), de zomertortel (-92%), de ringmus (-93%) en de grutto (-68%) – allemaal vogels die ook in de Krimpenerwaard voorkomen.
De snelle verarming in het agrarisch gebied staat in contrast met de Europese index voor 145 algemeen voorkomende soorten. Die laat het laatste decennium juist stabilisatie en zelfs voorzichtig herstel zien. Dit geldt voor zowel Nederland als voor de Europese Unie in haar geheel – het beeld in het agrarisch gebied is dus slechter dan het algemene beeld.

Boeren en natuur gaan moeilijk samen.

Boeren en natuur gaan moeilijk samen.

Naast de beperkte effectiviteit van agrarisch natuurbeheer is er ook een gebrek aan continuïteit in het beheer, constateert de Rli. Agrarisch natuurbeheer is uitsluitend effectief als het wordt ingezet in grotere aaneengesloten gebieden waarin de randvoorwaarden geschikt worden gemaakt of al geschikt zijn. Voor weidevogels is het effectief om agrarisch natuurbeheer in te zetten in aansluiting op reservaatgebieden met dezelfde natuurdoelen, om het leefgebied van deze soorten voldoende groot te maken.

Enkele aanbevelingen uit het advies zijn:
● agrarisch natuurbeheer concentreren in grote aaneengesloten gebieden waar de juiste randvoorwaarden voor weide- of akkervogels nog aanwezig zijn of kunnen worden hersteld;
● agrarisch natuurbeheer met prioriteit inzetten om de ‘doorlaatbaarheid’ van het agrarische gebied tussen natuurgebieden te vergroten, zodat er meer mogelijkheden ontstaan voor de uitwisseling tussen deelpopulaties van kwetsbare soorten;
● agrarisch natuurbeheer (zoals weidevogelbeheer) drastisch aanpassen
voor een positief effect op natuurwaarden: in weidevogelgebieden dienen
de beheerpakketten niet alleen te gaan over aanpassing van het maaitijdstip,
maar ook over substantiële maatregelen voor grondwaterstand en bemesting.

Op gebiedsniveau is veel winst voor landbouw én natuur te halen door de reserveringen per bedrijf samen te voegen tot aaneengesloten gebieden (PBL, 2012b). Dat maakt afstemming van de verkaveling van landbouwpercelen op agrarische productie mogelijk en leidt voor natuur tot grotere eenheden die het landbouwgebied op een adequaat schaalniveau dooraderen. Deze invulling van de ruimtelijke reservering kan ook benut worden om de relaties tussen boeren en burgers en tussen burgers, boeren en natuur te versterken. Capaciteit in grond, arbeid, kennis en andere middelen combineren door goede samenwerking, betekent op gebiedsniveau een verdere impuls voor sociale netwerken.

Onbeperkt houdbaar. Naar een robuust natuurbeleid.

Vogelaar en boer botsen over weidevogelbeheer (AD Groene Hart 22 mei 2013)